Wanneer ben je als vertrouwenspersoon écht verplicht om de vertrouwelijkheid te doorbreken?
In augustus 2025 publiceerde de Landelijke Vereniging van Vertrouwenspersonen (LVV) het visiedocument ‘Vertrouwelijkheid, tenzij‘. Hierin legt de LVV uit in welke gevallen een vertrouwenspersoon kan of moet besluiten om de vertrouwelijkheid te doorbreken. Dit is een belangrijk visiedocument, want het blijft een van de moeilijkste dilemma’s in ons vak: wanneer doorbreken we de vertrouwelijkheid?
Toch vind ik de uitgangspunten in het visiedocument van de LVV onnodig verwarrend.
In deze blog leg ik uit:
- wanneer een vertrouwenspersoon wettelijk verplicht is om de vertrouwelijkheid te doorbreken,
- wanneer dit een keuze is,
- en op welke punten het LVV-visiedocument wat mij betreft verbeterd zou kunnen worden.
Vertrouwelijkheid, tenzij
De basis van het werk van een vertrouwenspersoon is helder: alles wat wordt gedeeld, blijft vertrouwelijk.
Toch kennen we het principe ‘Vertrouwelijkheid, tenzij’. De inhoud van gesprekken is vertrouwelijk tenzij er:
- een wettelijke aangifteplicht is,
- een wettelijke informatieplicht is,
- sprake is van gewetensnood.
Ik licht deze drie categorieën toe.
1. Wettelijke aangifteplicht
Volgens artikel 160 Wetboek van strafvordering is iedereen die kennis draagt van één van de onderstaande misdrijven wettelijk verplicht om aangifte te doen:
- moord of doodslag: misdrijven tegen het leven gericht (art. 287 tot en met 294 en 296 Wetboek van strafrecht),
- verkrachting (art. 243, 246, 248 en 250 Wetboek van strafrecht),
- ontvoering: mensenroof (art. 278 Wetboek van strafrecht),
- iemand gevangen houden: wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282 Wetboek van strafrecht),
- misdrijven tegen de Staat waarbij levensgevaar is ontstaan (art. 92-110 Wetboek van Strafrecht),
- terroristisch misdrijf.
Wanneer geldt de wettelijke aangifteplicht niet?
Je hoeft niet jezelf, je (ex-)partner of je familie aan te geven (art. 160, lid 2 Wetboek van strafvordering).
Daarnaast geldt de aangifteplicht niet wanneer je verschoningsrecht hebt, zoals advocaten. Vertrouwenspersonen hebben géén wettelijk verschoningsrecht, ook niet als dat wél in een benoemingsdocument is opgenomen.
Kortom: een vertrouwenspersoon is verplicht om aangifte te doen van de hierboven genoemde misdrijven, net als iedere andere burger.
2. Geen aangifteplicht, maar wél informatieplicht
Er zijn situaties waarin je niet verplicht bent aangifte te doen, maar wél informatie moet verstrekken om een ernstig misdrijf te voorkomen.
Volgens art. 136 Wetboek van strafrecht ben je strafbaar als je nalaat tijdig iemand te waarschuwen of te informeren om één van de onderstaande misdrijven te voorkomen:
- misdrijven tegen de Staat (art. 92-110 Wetboek van Strafrecht)
- moord (art. 289 Wetboek van strafrecht)
- ontvoering: mensenroof (art. 278 Wetboek van strafrecht),
- verkrachting (art. 243 Wetboek van Strafrecht)
- misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht, zoals brand of overstroming (titel 7 van het Wetboek van Strafrecht)
- terroristisch misdrijf.
De juiste persoon kan de bedreigde zijn, maar het kan ook betekenen dat je melding of aangifte bij de politie doet.
Wanneer je kennis hebt van één van de bovenstaande aanstaande misdrijven, ben je dus als vertrouwenspersoon verplicht om de vertrouwelijkheid te doorbreken.
3. Gewetensnood
Het kan voorkomen dat er géén wettelijke aangifteplicht en géén wettelijke informatieplicht is, maar dat je als vertrouwenspersoon tóch genoodzaakt voelt om de vertrouwelijkheid te doorbreken. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de persoon die je bijstaat, zichzelf wat wil aandoen. In dat geval kun je bijvoorbeeld hulpinstanties inschakelen.
Integriteitsincidenten en misstanden
Wanneer iemand bij jou als vertrouwenspersoon terechtkomt met een vermoeden van een integriteitsincident of een misstand, heb je als vertrouwenspersoon géén verplichting om de vertrouwelijkheid te doorbreken. Alleen wanneer dit een (aanstaand) misdrijf betreft, zoals hierboven toegelicht.
Reflectie op het visiedocument ‘Vertrouwelijkheid tenzij…. ‘
Ik onderschrijf het belang van een duidelijke richtlijn. Ik vind het waardevol dat de LVV hier aandacht aan besteed. Ik zie echter ruimte voor verbeteringen. Ik licht de belangrijkste toe.
Verkrachting
In het document wordt aangegeven dat er geen (wettelijke) reden is om de vertrouwelijkheid te doorbreken in het geval van verkrachting. Dit klopt niet, want iedereen die kennis heeft van een verkrachting is verplicht om aangifte te doen. Ook vertrouwenspersonen hebben zodoende die wettelijke plicht. Wel kun je je afvragen of dit altijd zinvol is om te doen, bijvoorbeeld als je onvoldoende informatie hebt.
Wat mij betreft zou het uitgangspunt daarom anders geformuleerd mogen worden, namelijk: ‘De vertrouwenspersoon is wettelijk verplicht om aangifte te doen wanneer die kennis heeft van verkrachting, tenzij…..’
Anderen in gevaar
In het document wordt gesteld dat er geen wettelijke verplichting is om te melden wanneer anderen in gevaar zijn. Volgens art. 136 Wetboek van strafrecht bestaat er wél een wettelijke informatieplicht. Ik zou dit daarom aanpassen in het visiedocument.
Financiële fraude
In het document wordt gesteld dat een vertrouwenspersoon verplicht is financiële fraudes te melden bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Dat is onjuist.
Meldplichten bij de AFM gelden alleen voor organisaties die onder toezicht staan; beursgenoteerde ondernemingen, financiële ondernemingen en pensioenfondsen. De vertrouwenspersoon zelf heeft geen directe meldplicht. Ook niet, wanneer de vertrouwenspersoon bij een onder toezicht staande instelling werkt.
Hetzelfde geldt overigens voor de organisaties die een onder toezicht staan van DNB en aldaar een meldplicht hebben. Bij die organisaties heeft de vertrouwenspersoon óók geen meldplicht.
De LVV heeft in haar laatste nieuwsbrief al aangegeven dat ze de visiedocumenten nog kan aanpassen. Ik hoop dat het bovenstaande daarbij wordt meegenomen. Ik geloof dat een goede richtlijn voor het doorbreken van de vertrouwelijkheid essentieel is voor het werk van de vertrouwenspersonen én voor de personen die de vertrouwenspersoon bijstaat.
Concluderend
Het principe ‘Vertrouwelijkheid, tenzij’ blijft essentieel. En daarom vraagt dit om heldere richtlijnen.
Een vertrouwenspersoon doorbreekt alleen de vertrouwelijkheid bij:
- wettelijke aangifteplicht,
- wettelijke informatieplicht,
- of in geval van gewetensnood.
Om de vertrouwensband met degene die je bijstaat niet te schaden, doe je er goed aan om tijdens elk opvanggesprek direct aan het begin van het gesprek, helder te zijn wanneer je wettelijk én moreel verplicht bent om de vertrouwelijkheid te doorbreken.
Heb je een vraag of een aanvulling?
Heb je naar aanleiding van dit artikel een vraag? Of heb je wellicht aanvullingen? Neem gerust contact met ons op. We gaan graag met je in gesprek.
